Van welke helft is hij mijn broer?
vraagt hij zich af, naar het schijnt.
Hij legt mij neer in stukken
zijn helft, geen tegenwicht.
Ik ben de harde ogen van mijn moeder,
haar overslaande stem, haar zwakke plek.
En om de tenten gonst het ja en amen
van de heer, van vader, Abraham.
Maar hij, mijn broer, hij breekt waar hij
het minste of geringste aanraakt
en hij raakt. Zijn moeder lacht, ze
huilt. Het lacht hier dat het huilt.
Ik ben van iedereen de vriend.
Kijk, hoe dit ventje glimlacht
lief ben ik, zacht, genadeloos.
De helft is heel, de rest kapot
Niet om de dooie dood
maar om wat opstaat
voortgaat, daarom leven wij
zei Ismaël toen hij en ik
elkaar weer zagen
voor het laatst
Hij blonk van stevig vlees
droeg kettingen van vrouwen om zijn hals.
Om al zijn vingers ringden kinderen
een man vol erfgoed in zijn zak.
k stond met hem aan het graf
Alleen alleen maar niet geslacht
een hand onvruchtbaar zand
om uit te storten op mijn voorgeslacht
Hij was een vriendelijke man
mijn broer. In een kwartier
waren wij klaar met al
wat Abraham bezat.
Hij had geen haast
mijn broer. Maar hier was land
was wat hem dierbaar was
zo klein en afgerond
hoe traag wij ook bewogen
bij Makpela ging alles vlug voorbij
Hij heeft me hartelijk omhelsd
mijn broer, en ging.
Ik bleef bij het windei van mijn vader staan
met uitzicht op mijn broeders rug.
Ooit sloeg ik mijn twee jongens links rechts
lam tot in de gloria:
zij speelden samen Moria.
Had niet Rebekka, de verweerde bruid
die engel gods mij toegeschreeuwd:
Strek toch je hand niet uit!
dan lagen beiden met gebroken nek
begraven op de plek die ik 'Blinde vlek van Jitsachak'
zou hebben moeten dopen.
Dichtbundel
Geregeld in een steen (2003)
Copyright © 2008 - 2012 - rafikisoft - All rights Reserved.